Vooys Leest

    Lezen is heerlijk en dat mag geuit worden. Vooys laat eens in de zoveel tijd een redactielid aan het woord over het schrijfsel waarin hij of zij zich die week verdiept. Deze week: wat leest Noortje?

    ‘Om de maand organiseer ik samen met een vriendin een leesclub. Afgelopen keer was de keuze gevallen op het boek ‘Winter’ (2017) van de Schotse schrijfster Ali Smith. ‘Winter’ is het tweede deel van het seizoenstetralogie dat Smith schrijft. Al eerder kwam ‘Autumn’ (2016) uit. Ik had nooit eerder iets van Smith gelezen, maar wel veel over haar gehoord. Zo heeft ze drie keer op de shortlist voor de Man Booker Prize gestaan. Zonder ‘Autumn’ te lezen – dat bleek achteraf ook niet nodig te zijn – begon ik aan het tweede deel van het toekomstige kwartet.

    ‘Winter’ verhaalt over een oude vrouw Sophie en haar zoon Art – een ‘natuurblogger’ die blogs verzint over plekken waar hij helemaal niet geweest is – die haar komt opzoeken met kerst. Art neemt zich al lange tijd voor om zijn vriendin Charlotte kennis te laten maken met zijn moeder. Hun relatie is echter spaak gelopen, dus heeft Art een noodmaatregel genomen: hij heeft een onbekend meisje uit een bushokje gevraagd om tegen betaling mee kerst te vieren en te doen alsof ze Charlotte is. Het meisje stemt in. Wanneer de twee aankomen in het landhuis van Arts moeder, blijkt het erg slecht te gaan met haar. Er is niet veel meer van haar over dan een eenzaam, oud, mager, en nukkig hoopje mens. De ‘stand-in Charlotte’ spoort Art aan om de hulp van zijn tante Iris in te schakelen. Dit terwijl Iris en Sophie al jaren geen contact meer hebben en er een flinke haat-liefdeverhouding tussen hen bestaat. Uiteindelijk komen de vier totaal verschillende individuen zo samen onder één dak voor kerstmis. Er ontstaat een dynamisch samenspel tussen de personages dat moeilijk in woorden te vatten is.

    Naar mijn idee draait het in ‘Winter’ niet zozeer om de gebeurtenissen, of om het narratief, maar vooral om het neerzetten van een bepaalde sfeer. Die sfeer kenmerkt zich onder meer door een aantal onverklaarbare eigenaardigheden (zo wordt het personage Sophie in de eerste hoofdstukken vergezeld door een zwevend kinderhoofd) en een flinke dosis aan (taal)grapjes. Ik heb vaak hardop moeten lachen tijdens het lezen.

    Dat het boek toch een zeer serieuze ondertoon heeft blijkt wel uit de referenties naar onder meer Trump en de Brexit. Op een geestige manier weet Smith verschillende posities in het debat over deze actuele kwesties te belichten, zonder ooit echt een duidelijke visie aan te leveren. Die dient de lezer zelf te vormen. Tijdens de leesclub hebben we dan ook lang stilgestaan bij de boodschap die het boek probeert uit te dragen, of het überhaupt wel een (eenduidige) boodschap wil uitdragen. Iedereen had hier zijn eigen antwoord op. ‘Winter’ bleek in ieder geval bij uitstek geschikt voor zo’n bijeenkomst als deze. Ik heb ‘Autumn’ afgelopen week toch ook maar aangeschaft en wat mij betreft kan het niet gauw genoeg lente worden.’

      Vooys Leest

      Lezen is heerlijk en dat mag geuit worden. Vooys laat eens in de zoveel tijd een redactielid aan het woord over het schrijfsel waarin hij of zij zich die week verdiept. Deze week: wat leest Laura?

      ‘The Autobiography of my Mother (1996) staat al ruim een jaar ongelezen op de plank. Het is een werk dat ik heb aangeschaft toen ik het op de leeslijst voor een college zag staan, maar uiteindelijk is het nooit besproken in de collegebanken. Wanneer ik het dan eindelijk uit de kast trek, opensla en begin te lezen sleurt het boek mij al snel mee in het levensverhaal van Xuela Claudette Richardson.

      Xuela is geboren op Dominica. Haar moeder sterft in het kraambed en haar vader levert haar af bij de vrouw die zijn wasgoed verzorgt – of zij ook voor zijn dochter kan zorgen. Haar leven lijkt doordrenkt te zijn met zowel het gemis van haar moeder als met de doorleving van het koloniale verleden van Dominica. Wanneer Xuela (een eindje in de roman, op pagina 79) haar naam vertelt, legt ze uit dat zij onder andere vernoemd is naar haar moeder: ‘My own name is Xuela Claudette, and in the place of Desvarieux is Richardson, which is my father’s name; but who are these people Claudette, Desvarieux, and Richardson? To look into it, to look at it, could only fill you with despair…’

      Het levensverhaal van Xuela is tegelijkertijd indringend en afstandelijk. Indringend omdat ze open en eerlijk vertelt over haar (dramatische en pijnlijke) jeugd. Hierbij is geen onderwerp taboe: menstruatiebloed en abortus worden poëtisch beschreven. De afstandelijkheid van haar verhaal schuilt in haar houding tegenover de mensen in haar omgeving – en misschien ook wel in haar houding tegenover jou als lezer. De verschillende families, bij wie Xuela woont in haar jeugd en als tiener, houden niet van haar en zij houdt ook niet van hen. Ze houdt niet van haar vader. Ze houdt ook niet van de man met wie ze trouwt.

      Nu klinkt het misschien alsof Xuela een verschrikkelijk koel persoon is, maar dat is niet het geval. De afstandelijkheid die in de roman zit, laat het niet verglijden in sentimentaliteit en maakt het aangrijpende en droevige verhaal leesbaar (hoe koel dat dan ook weer klinkt van mijn kant). Het is moeilijk onder woorden te brengen hoe The Autobiography of my Mother een afstandelijke houding en een aangrijpende, traumatische geschiedenis weet te vangen in één personage. Ik kom over een paar jaar, als ik het boek nog een paar keer heb gelezen of als ik dan toch nog een college over heb gevolgd, nog wel bij jullie terug voor deel II van deze Vooys Leest. Maar je kan het natuurlijk ook zelf lezen!’

        Vooys Luistert

        Lezen is heerlijk, maar luisteren ook. Nobelprijslaureaat Bob Dylan bewees dat literatuur zich op verschillende manieren ook buiten het boek manifesteert. Vooys laat eens in de zoveel tijd een redactielid aan het woord over een poëtische plaat of literair lied dat indruk heeft gemaakt. Deze week: waar luistert Carmen naar?

        ‘Omdat ik een van de pleiters ben vóór het onderzoeken van het Nederlandstalige lied binnen de Nederlandse letterkunde, kies ik deze keer voor een Vooys luistert in plaats van een Vooys leest en belicht ik graag één van de in mijn ogen pareltjes uit de Nederlandstalige liedkunst. Geen grote naam, niets alom bekends, maar juist iets minder gekends en wellicht zelfs enigszins obscuurs.

        Als iemand mij vraagt van wat voor muziek ik houd, dan vind ik het lastig om daar een gedegen antwoord op te geven. Ik houd van vrij veel (kleinkunst, folk, rock, bluegrass, soms wat klassiek). Ik houd echter ook van heel veel niet (ongeveer al het andere). Voor deze Vooys luistert heb ik gekozen voor een combinatie van enkele muziekstijlen die ik leuk vind: een Nederlandstalig kleinkunstlied met folkinvloeden. Maak kennis met (of herbeluister) ‘Niets is voor altijd’ van Madou (1982).

        De muziekgroep Madou werd in 1979 opgericht door twee ex-leden – Vera Coomans en Wiet Van de Leest – van Rum (eveneens een Nederlandstalige folkgroep), die hun muziek naar eigen zeggen avontuurlijker wilden maken. Zo werd onder meer het instrumentarium gemoderniseerd en werden de teksten geactualiseerd. De teksten kunnen omschreven worden als tragisch en tamelijk melancholisch (zo niet depressief), zoals ook te horen is in Madous (enige) hit ‘Witte nachten’. Na één LP viel Madou uiteen: de muziek sloeg niet aan.

        Met de herontdekking van de folk aan het begin van dit millennium, kwam er echter hernieuwde aandacht voor Madou en blies zangeres Coomans het repertoire van de muziekgroep onder de naam Madouce opnieuw leven in. Het is Madou(ce) nochtans niet gelukt bekendheid bij het grote publiek te verwerven.

        ‘Niets is voor altijd’ heeft desalniettemin wel íéts gedaan, want het lied verscheen later op het verzamelalbum Het beste uit de Belpop van 1982 en de compilatie-cd De geschiedenis van het Vlaamse lied. En nu staat het centraal in deze Vooys luistert. Een lied met spanning en drama, een tekst waaruit onverschilligheid, argeloosheid, (ingehouden) woede, verontwaardiging, verdriet, vermoeidheid, vlakte en meer spreekt en een melodielijn die tof is. Ik ga er verder niets over zeggen, beluister het maar gewoon.’

          Vooys Leest

          Lezen is heerlijk en dat mag geuit worden. Vooys laat eens in de zoveel tijd een redactielid aan het woord over het schrijfsel waarin hij of zij zich die week verdiept. Deze week: wat leest Darja?

          ‘Ingeborg Bachmann (1926-1973) is ‘een van de meest vooraanstaande dichters in het Duitse taalgebied’, als we het achterplat van de Nederlandse vertaling van haar verhalenbundel Het dertigste jaar (1961, vertaald door Paul Beers) moeten geloven. Ik geloof dit meteen als ik me, voordat ik begin met lezen, herinner hoe geroerd ik was toen ik voor het eerst een gedicht van haar las. Even rondvragen leert me echter dat de meesten in mijn kenniskring (die van lezen houdt!) dit niet kunnen beamen, omdat ze domweg nog nooit van haar gehoord hebben. Ik vraag me af hoe iemand als Ingeborg Bachmann in de vergetelheid terecht kan komen. Als haar taal zo wonderbaarlijk mooi is, is het dan misschien haar thematiek die achterhaald is? Om deze vraag te beantwoorden zal ik een van de wat mij betreft mooiste verhalen uit de bundel aanstippen in deze rubriek.

          1
          “Sommigen zeggen dat hij geschreeuwd had: Als hier nog iemand het waagt de waarheid te zeggen…! Anderen zeggen dat hij geschreeuwd had: Genoeg over de waarheid, hou op met de waarheid…! (…) Vast staat de schreeuw.” (p. 159)
          In het eerste deel van het verhaal Een Wildermuth wordt beschreven hoe rechter Anton Wildermuth vadermoordenaar Josef moet berechten. Het volmaakte achterhalen van dat wat gebeurd is blijkt echter een lastige opgave. Toch wordt een poging gedaan, bijvoorbeeld door een expert in knopen, die is opgezadeld met de vraag of een specifieke knoop van de verdachte zelf, of toch van zijn buurman is. Ook de expert heeft er echter een hard hoofd in:
          “‘Ik weet niet of u zich realiseert wat er, bij de huidige stand van de wetenschap, voor een betrouwbare knopenanalyse allemaal nodig is en in de overwegingen moet worden betrokken. Voor een dergelijke analyse moet men, om alleen het belangrijkste te noemen, de glans van de knoop bepalen, de aard van het oppervlak, de afstand tussen de gaten; men moet echter ook de binnenkant van de knoopsgaten fotograferen, de afstand van de gaten tot de rand meten en de diameter vaststellen.'” (p. 156)
          Door deze komische precisie wordt de irrelevantie van details duidelijk, maar ook de onmacht om tot de waarheid te komen: als het doorgronden van een knoop al onmogelijk is, hoe kan dan ooit het motief van de moordenaar in woorden worden gevat? Om nog te zwijgen over zaken die de rechtszaal zouden ontstijgen.
          De officier van justitie heeft echter geen boodschap aan dergelijke bezwaren en herinnert de aanwezigen aan “de ‘onmiskenbare, eenvoudige, harde feiten’.” (p. 159) Anton Wildermuth verheft zich hierop uit zijn stoel en geeft een harde schreeuw.

          2
          Deze schreeuw verklankt het keerpunt in Anton Wildermuths denken over waarheid, zoals blijkt uit het tweede deel van het verhaal. In dit deel wordt de levensloop van Anton beschreven. Duidelijk wordt dat Anton altijd al geobsedeerd is met de waarheid, waarover hij dacht dat “vader daarmee bedoelde dat ik ‘precies’ moest zeggen wat er gebeurd was.” (p. 161) Tegelijkertijd wordt duidelijk dat deze wijze van zoeken naar de waarheid ook wrong, omdat hij toch ook droombeelden had die ‘even welig tierden als de waarheden in het voetlicht’ (p. 165) Daarnaast begonnen hij zich steeds sterker te realiseren dat:
          “Die [waarheid] (…) toch alleen maar [zou] kunnen worden uitgesproken over minieme, allerkleinste handelingsmomenten, allerkleinste gevoelsstappen, over telkens één druppel uit de gedachtenstroom. (…) Al die duizenden duizendste seconden van plezier, angst, begeerte, afschuw, rust, opwinding, die iemand doorleeft, tot welke conclusie moeten die leiden!” (p. 173-174)
          Antons frustraties over de onmacht om de waarheid te zeggen, die hij in de loop van zijn leven heeft opgedaan, komen samen in de schreeuw die hij geeft tijdens de rechtzitting. Met de schreeuw erkent hij de absurditeit van de waarheid en laat hij zijn obsessie los. Hierdoor heeft hij, zoals gesuggereerd wordt in de laatste zinnen van het verhaal, eindelijk een manier gevonden om tot waarheid te kunnen komen:
          “ik wil mijn toga en mijn baret afleggen, op elke plek van de wereld neerhurken, gaan liggen op gras en asfalt en de wereld beluisteren, aftasten, bekloppen, loswoelen, me in haar vastbijten en daarna met haar samenvallen, oneindig lang en helemaal – Tot mij de waarheid ten deel valt over het gras en de regen en onszelf: Een zwijgend doordrongen raken dat dwingt tot schreeuwen, tot een luide schreeuw over alle waarheden. Een waarheid waarvan niemand droomt, die niemand wil.” (p. 188)

          Het moge duidelijk zijn: achterhaald is de thematiek van het verhaal Een Wildermuth geenszins. Het denken over de ‘alledaagse’ waarheid en ‘de’ waarheid is immers tijdloos. En ook de andere, allen zeer inspirerende verhalen bevatten genoeg tijdloze stof om jaren over na te kunnen denken. In deze verhalen komen onder andere thema’s als schuld, de grenzen van taal en de rol van de vrouw binnen het conventionele huwelijk naar voren. In acht nemend dat dus ook haar thematiek van het hoogste niveau is, kan ik dus niet anders dan concluderen dat ze ofwel door haar sekse, ofwel door complete willekeur in de vergetelheid terecht is gekomen. En ondanks dat de bundel, zoals het een vergeten bundel betaamt, erg moeilijk in het Nederlands te verkrijgen is (er zullen vele tweedehandsboekwinkels voor moeten worden uitgespit), zou ik dus willen zeggen: onderneemt de zoektocht en leest!’