Nieuwe Buitelingen

    010 Says It All heeft nog veel meer te zeggen

    In de online rubriek ‘Nieuwe Buitelingen’ bespreekt een Vooys-redacteur een bijzonder literair initiatief in Nederland. Voor deze zoektocht is geen uithoek ons te ver. Dit keer bezocht Merel Donia het spoken word-festival 010 Says It All. Deze ruime week vol workshops, optredens en andere festiviteiten is een collectief van een groot aantal spoken word organisaties in Rotterdam. Het initiatief wil niet alleen de stad kennis laten maken met spoken word door de binnenlandse en buitenlandse legends te laten performen, ze maken ook ruimte voor jonge talenten en amateurkunstenaars. Vooys was aanwezig bij de Grand Finale in Rotterdam, waar al deze artiesten naast elkaar op het podium konden verschijnen.

    Het Rotterdamse 010 Says It All is een week vol spoken word, waaraan veel lokale initiatieven zoals Frontaal, SpraakuhlooS en Woorden Worden Zinnen meewerken. Het programma, dat zich op verschillende plekken in de stad afspeelt, is breed: het bestaat uit voordrachten van gevestigde artiesten tot masterclasses voor beginnelingen. Spoken word is namelijk van iedereen, dat is de onderliggende gedachte van de evenementen. Na een week vol activiteiten sluit het festival af met de Grand Finale. Voordat dit slotevenement begint, is er ook een open mic georganiseerd in de bar van Theater Zuidplein. Jonge artiesten hebben zich ingeschreven en waar de ene helft zenuwachtig om het podium heen drentelt, zit de rest van de groep zelfverzekerd in het publiek te wachten. Op het podium verschijnen beginners die de afgelopen week de masterclasses hebben gevolgd , maar ook meer ervaren sprekers. De zenuwen zijn er gelukkig snel af als de eerste dame opent. Het publiek wordt langzaam wakker en begint te fluiten, te joelen en te knippen met hun vingers. Hoeveel ervaring je ook hebt, het podium is een vrijplaats waar iedereen respect krijgt.

    Dat respect is ook opvallend aanwezig als de Grand Finale zelf begint. Hoewel het publiek zich tussen de performances soms meer gedraagt als een losbandige familie dan als passief theaterpubliek – het roept, lacht, zingt en reageert vervolgens weer op dat roepen, lachen en zingen – lijkt het tijdens een optreden soms bijna in trance te zijn. Gelukkig lenen de performances zich ook voor uiteenlopende reacties. Als Brooklyn Mozes in haar voordracht het publiek een lijst voorhoudt met verschillende typen mannen, ligt het publiek dubbel van het lachen. Toch wordt er tussendoor geslikt en gezucht; de tot de verbeelding sprekende verhalen zijn op de waarheid berust en dat zorgt voor een wat ambivalente sfeer in de zaal. Die ambivalentie is sprekend voor het festival: lachen en huilen gaat hand in hand.

    Ook de Britse Sukina Pilgrim schudt op dergelijke wijze het publiek wakker. In haar optreden spreekt ze onder andere over zusters van over de hele wereld. Haar drang naar verbinding lijkt een mantra en geeft de zaal unaniem kippenvel. Zelf is ze vooral overdonderd door het publiek. Pilgrim was gewend voor kleine groepen op te treden, in hoekjes van cafés en in huiskamers. Het prachtig gedecoreerde Theater Zuidplein is dan al even wennen, maar zo’n liefdevol en enthousiast publiek was ze nimmer tegengekomen in haar carrière.

    De Grand Finale eindigt met headliner Saul Williams. Williams is een gevestigd spoken word artist, maar is voor buitenstaanders toch vooral bekend van de muziekwereld. Als ik hem vooraf spreek, blijkt dat hij zich ook nooit zo in de poëziekringen heeft begeven. Een kring beweegt zich volgens hem vaak op dezelfde manier: of je nu in de Amerikaanse rapcultuur zit of in de Nederlandse poëzie, men verhoudt zich altijd tot de wereld om zich heen. Wat poëzie of spoken word een heel ander genre maakt, is dat zij volgens Williams politiek gezien vaak op de zaken vooruit lopen. Thema’s die in poëzie naar voren komen – zeker in deze vorm, die het mogelijk maakt direct te reflecteren op de samenleving – zie je later terugkomen in muziek, literatuur en film. Williams’ werk zelf staat dan ook bekend om zijn politieke lading en hij stelt dat we dat vanavond van veel sprekers zullen horen. Vluchtelingen, vrouwenemancipatie, racisme, zijn dat ook de zaken die hier spelen? Dan zal je dat terugzien in de optredens dadelijk, stelt hij.

    Als Williams het podium betreedt, wordt de zaal stil. Het publiek geeft haast geen kik als hij zijn teksten naar buiten laat rollen. Niet omdat de zaal niet enthousiast is, maar omdat Williams’ aura ver genoeg reikt om iedereen te verdoven. Na een paar teksten stopt hij met poëzie: ‘I don’t really feel like performing poetry right now. Now I’m here, I might as well speak out my thoughts.’ Poëzie is volgens hem slechts het eindproduct en het is jammer dat een lezer of hoorder nooit meer ziet van het proces. Dus waarom dat proces er niet bij halen? Williams geeft het publiek een onverwacht inkijkje in het leven van een artiest, door zijn poetica bloot te geven en te vertellen over de totstandkoming van een gedicht. Alle boeken die je leest, alle evenementen die je bezoekt – alles kan een belangrijke toevoeging zijn aan je werk. Als artiest moet je namelijk tot op de kleinste details weten wat er in de wereld gebeurt en moet je je daarmee engageren. Er bevindt zich een heel proces in de coulissen van een dichtbundel of performance.

    De politieke lading is inderdaad nadrukkelijk aanwezig op de Grand Finale, maar het gaat gepaard met veel liefde en respect. Het gemengde publiek, van jonge zwarte vrouwen tot oude witte mannen, raakt er niet over uitgepraat tijdens de pauze en de afterparty. Er zijn weinig initiatieven die zoveel potentie hebben om onze vaak gepolariseerde wereld bij elkaar te brengen. Op dit evenement is het gelukt en ik hoop van harte dat 010 Says It All volgend jaar wederom een succes zal worden, want ze zijn wat mij betreft nog lang niet uitgesproken.

      Vooys Leest

      Lezen is heerlijk en dat mag geuit worden. Vooys laat eens in de zoveel tijd een redactielid aan het woord over het schrijfsel waarin hij of zij zich die week verdiept. Deze week: wat leest Naomi?

      ‘Het boek ‘Where the magic happens: schrijverskamers’ door Huib Afman zou ik alleen om zijn kaft al uitkiezen, hoewel dit volgens velen niet altijd de beste manier is om een boek te kiezen. De vormgeving van een boek kan naar mijn mening heel sterk bijdragen aan een goede leeservaring. Helemaal in vergelijking met het lezen vanaf een scherm is dit boek dan ook een verademing voor de lezer die waarde hecht aan een mooi, tastbaar boek. ‘Where the magic happens’ staat vol illustraties van kamers waarin schrijvers hun befaamde werken op papier zetten. In het boek lichten bekende auteurs toe op welke plek zij hun hersenspinsels het beste tot hun recht laten komen. Enkele van de zowel Nederlandse als Vlaamse schrijvers waarvan de werkruimte wordt uitgelicht zijn Arnon Grunberg, Herman Koch, Charlotte Mutsaers, L. H. Wiener, Jan Siebelink, Gustaaf Peek en Connie Palmen.

      Het is Huib Afman gelukt om maar liefst 45 schrijverskamers van binnen te mogen bekijken. Naar eigen zeggen is dit uniek, omdat deze ‘poorten naar die particuliere domeinen’ zelden worden geopend voor onbekenden. Afman stelt in zijn boek de vraag centraal waarom schrijvers het volhouden om gedurende lange periodes in afzondering te werken. De werkplek bleek daarbij een heel belangrijke factor te zijn.

      De paginagrote foto’s in het boek laten veel verschillende beelden zien; van een kale, strakke ruimte met slechts een bureau, een computer en een stoel tot een sfeervolle ruimte met antiek en boeken van het plafond tot aan het vloerkleed. Het contrast kon bij veel schrijvers niet groter zijn. De kamer van L. H. Wiener in Haarlem is compleet geïsoleerd en erg donker, met slechts het licht van een paar kaarsjes die de krantenknipsels aan de muur belichten. Gustaaf Peek werkt daarentegen in een kamer in Amsterdam met veel ramen die op de stad uitkijkt.

      Het leuke van dit boek vind ik dat de auteur expres niet in de kamer is afgebeeld. Vaak betrapte ik mijzelf erop dat ik een ruimte op de een of andere manier totaal niet had verwacht bij de schrijver die erbij genoemd werd. Dit gevoel had ik het sterkst bij de werkplek van Arnon Grunberg in Amsterdam. De ruimte is roze geschilderd, gecombineerd met paarse en gouden accenten in het meubilair. De foto ervan had zo uit een brochure voor het bezoeken van een kasteel kunnen komen. Mijn verbazing werd echter al snel minder groot, omdat dit slechts een willekeurige kamer in een hotel bleek te zijn waar Grunberg ooit heeft geschreven. Een vaste werkplaats heeft hij namelijk niet.

      Een foto die wel een vaste werkplaats van een schrijver liet zien die mij verbaasde, was die van de kamer van Jan Siebelink. Zijn kamer valt het beste te omschrijven als een rommelzolder waar je slechts komt om wat oude spullen te pakken, niet om hele dagen in te zitten zwoegen. De kamer van Charlotte Mutsaers was echter juist precies wat ik bij haar verwachtte: een simpele kamer met veel wat kinderlijk uitziende spullen aan de muur, waaronder een verzameling plastic zeepaardjes en zeesterren en een aantal rode stoelen.

      Dit boek is een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in de persoon achter de veelverkochte boeken die op de leeslijsten van de middelbare school al niet mochten ontbreken. Daarnaast leest het ook als een soort tijdschrift, met veel beeldmateriaal en luchtige teksten die wel hele leuke en interessante informatie bevatten.’

        Nieuwe Buitelingen

        In onze rubriek ‘Nieuwe Buitelingen’ nemen Vooys-redacteuren u mee naar een bijzonder literair initiatief in Nederland. Afgelopen donderdag was Vooysredacteur Carmen Verhoeven aanwezig bij een lezing van schrijver, columnist en televisiemaker Özcan Akyol. Ze brengt ons verslag uit:

        ‘“Een ellendige jeugd is een goudmijn voor een schrijver,” begon Akyol zijn verhaal. En dat bleek. Akyol vertelde vooreerst over zijn bewogen jeugd, de (alcohol)problemen van zijn vader, de afwezigheid van zijn moeder, de positie van zijn familie in de Turkse gemeenschap (buitenstaander) en de positie van zijn familie in de Nederlandse gemeenschap (buitenstaander). Maar ook over hoe hij een voorsprong had op zijn buurtgenoten als het op Nederlands aankwam, omdat hij de taal gedeeltelijk leerde via muziek van Rob de Nijs, Boudewijn de Groot en Frank Boeijen op de radio en programma’s op de Nederlandse televisiezenders. Bij zijn ouders was er, anders dan bij alle Turkse families in de buurt, immers geen schotelantenne: “Mijn vader was nogal een bon vivant en hij beredeneerde: ‘Zo’n schotelantenne kost 120 euro, daar kan ik ook tien flessen Vieux van kopen…’” Akyols verhaal was er ook een over intersectionaliteit: zijn achterstelling op bepaalde gebieden – bijvoorbeeld het feit dat hij ondanks vwo-advies niet naar het atheneum kon en mocht – hing niet alleen samen met zijn Turkse achtergrond, maar ook, of eigenlijk vooral, met het sociaaleconomische milieu waaruit hij afkomstig was.
        Door ‘verkeerde’ vrienden en connecties kwam hij herhaaldelijk in aanraking met de politie en zat hij uiteindelijk zelfs een poosje vast. Dat leek een dieptepunt, maar achteraf bleek tijdens die periode het sleutelmoment in zijn leven te zijn voorgevallen. Toen hij zichzelf gek begon te denken in de cel, was daar een reddende cipier die hem naar de Bajesbibliotheek bracht, waar hij vijf boeken (waaronder de Dikke Van Dale) mocht lenen om zich te vermaken. Voor die tijd had hij lezen altijd verschrikkelijk gevonden, maar in deze periode ondervond hij wat literatuur kan betekenen en hoe ze kan functioneren.
        Bij het eerste boek dat hij las – Baantjer – ontdekte hij dat literatuur ‘een film kan aanzetten’ bij de ontvanger. Dat de ontvanger zich tijdelijk kan distantiëren van de wereld waarin hij leeft en meegezogen kan worden in een andere omgeving, en hoe bevrijdend dat kan werken. Via Jan Siebelink kwam hij dan weer meer in aanraking met de didactische en culturele rol die literatuur kan spelen en leerde hij de gereformeerde cultuur binnen de Nederlandse samenleving kennen. Via Ik, Jan Cremer leerde hij zichzelf beter kennen en kon hij zich bovenal voor het eerst identificeren met iemand van een andere culturele achtergrond. Hij kwam erachter dat afkomst en uiterlijk niet de enige identiteitsbepalende factoren zijn, maar dat je je ook ontzettend kunt herkennen in iemand die op andere gebieden veel raakvlakken met jou vertoont. Bovendien legde hij van alle woorden die hij niet kende een woordenlijst aan en zocht hij de betekenissen op, waardoor hij zich de Nederlandse taal steeds meer eigen maakte. Naargelang zijn woordenschat gestaag groeide, lukte het hem helderder te denken en zijn gedachten beter te duiden. Literatuur was ook hetgeen hem deed inzien dat hij zichzelf moest zijn en zijn ambities niet moest onderdrukken of wegstoppen, maar juist moest volgen. En hij ontdekte een leemte in de Nederlandse literatuur: geen enkel boek ging over de worsteling van een in Nederland opgroeiende migrant. Het werd vanaf toen zijn doel dat gemis met een boek op te vullen. Hij studeerde journalistiek en daarna een paar jaar Nederlands, raakte steeds meer vervreemd van zijn achtergrond (“maar dat vond ik wel lekker”) en werd uiteindelijk gecontacteerd door een literair agent. Zo kwam de bal aan het rollen en bracht hij onder meer de autobiografische romans Eus (2012) en Turis (2016) uit, werd hij uitgenodigd bij DWDD, schreef hij columns voor NRC, de Volkskrant en nu voor het AD (en bijbehorende dagbladen) en kreeg hij de kans televisie te maken. Een avond met een bijzonder verhaal over opgroeien tussen twee culturen, een zoektocht naar identiteit, een vreemd, bochtig en toevallig pad richting het schrijverschap en bovenal de betekenis en kracht van literatuur.’

          Vooys Leest

          Lezen is heerlijk en dat mag geuit worden. Vooys laat eens in de zoveel tijd een redactielid aan het woord over het schrijfsel waarin hij of zij zich die week verdiept. Deze week: wat leest Noortje?

          ‘Om de maand organiseer ik samen met een vriendin een leesclub. Afgelopen keer was de keuze gevallen op het boek ‘Winter’ (2017) van de Schotse schrijfster Ali Smith. ‘Winter’ is het tweede deel van het seizoenstetralogie dat Smith schrijft. Al eerder kwam ‘Autumn’ (2016) uit. Ik had nooit eerder iets van Smith gelezen, maar wel veel over haar gehoord. Zo heeft ze drie keer op de shortlist voor de Man Booker Prize gestaan. Zonder ‘Autumn’ te lezen – dat bleek achteraf ook niet nodig te zijn – begon ik aan het tweede deel van het toekomstige kwartet.

          ‘Winter’ verhaalt over een oude vrouw Sophie en haar zoon Art – een ‘natuurblogger’ die blogs verzint over plekken waar hij helemaal niet geweest is – die haar komt opzoeken met kerst. Art neemt zich al lange tijd voor om zijn vriendin Charlotte kennis te laten maken met zijn moeder. Hun relatie is echter spaak gelopen, dus heeft Art een noodmaatregel genomen: hij heeft een onbekend meisje uit een bushokje gevraagd om tegen betaling mee kerst te vieren en te doen alsof ze Charlotte is. Het meisje stemt in. Wanneer de twee aankomen in het landhuis van Arts moeder, blijkt het erg slecht te gaan met haar. Er is niet veel meer van haar over dan een eenzaam, oud, mager, en nukkig hoopje mens. De ‘stand-in Charlotte’ spoort Art aan om de hulp van zijn tante Iris in te schakelen. Dit terwijl Iris en Sophie al jaren geen contact meer hebben en er een flinke haat-liefdeverhouding tussen hen bestaat. Uiteindelijk komen de vier totaal verschillende individuen zo samen onder één dak voor kerstmis. Er ontstaat een dynamisch samenspel tussen de personages dat moeilijk in woorden te vatten is.

          Naar mijn idee draait het in ‘Winter’ niet zozeer om de gebeurtenissen, of om het narratief, maar vooral om het neerzetten van een bepaalde sfeer. Die sfeer kenmerkt zich onder meer door een aantal onverklaarbare eigenaardigheden (zo wordt het personage Sophie in de eerste hoofdstukken vergezeld door een zwevend kinderhoofd) en een flinke dosis aan (taal)grapjes. Ik heb vaak hardop moeten lachen tijdens het lezen.

          Dat het boek toch een zeer serieuze ondertoon heeft blijkt wel uit de referenties naar onder meer Trump en de Brexit. Op een geestige manier weet Smith verschillende posities in het debat over deze actuele kwesties te belichten, zonder ooit echt een duidelijke visie aan te leveren. Die dient de lezer zelf te vormen. Tijdens de leesclub hebben we dan ook lang stilgestaan bij de boodschap die het boek probeert uit te dragen, of het überhaupt wel een (eenduidige) boodschap wil uitdragen. Iedereen had hier zijn eigen antwoord op. ‘Winter’ bleek in ieder geval bij uitstek geschikt voor zo’n bijeenkomst als deze. Ik heb ‘Autumn’ afgelopen week toch ook maar aangeschaft en wat mij betreft kan het niet gauw genoeg lente worden.’

            Vooys Leest

            Lezen is heerlijk en dat mag geuit worden. Vooys laat eens in de zoveel tijd een redactielid aan het woord over het schrijfsel waarin hij of zij zich die week verdiept. Deze week: wat leest Laura?

            ‘The Autobiography of my Mother (1996) staat al ruim een jaar ongelezen op de plank. Het is een werk dat ik heb aangeschaft toen ik het op de leeslijst voor een college zag staan, maar uiteindelijk is het nooit besproken in de collegebanken. Wanneer ik het dan eindelijk uit de kast trek, opensla en begin te lezen sleurt het boek mij al snel mee in het levensverhaal van Xuela Claudette Richardson.

            Xuela is geboren op Dominica. Haar moeder sterft in het kraambed en haar vader levert haar af bij de vrouw die zijn wasgoed verzorgt – of zij ook voor zijn dochter kan zorgen. Haar leven lijkt doordrenkt te zijn met zowel het gemis van haar moeder als met de doorleving van het koloniale verleden van Dominica. Wanneer Xuela (een eindje in de roman, op pagina 79) haar naam vertelt, legt ze uit dat zij onder andere vernoemd is naar haar moeder: ‘My own name is Xuela Claudette, and in the place of Desvarieux is Richardson, which is my father’s name; but who are these people Claudette, Desvarieux, and Richardson? To look into it, to look at it, could only fill you with despair…’

            Het levensverhaal van Xuela is tegelijkertijd indringend en afstandelijk. Indringend omdat ze open en eerlijk vertelt over haar (dramatische en pijnlijke) jeugd. Hierbij is geen onderwerp taboe: menstruatiebloed en abortus worden poëtisch beschreven. De afstandelijkheid van haar verhaal schuilt in haar houding tegenover de mensen in haar omgeving – en misschien ook wel in haar houding tegenover jou als lezer. De verschillende families, bij wie Xuela woont in haar jeugd en als tiener, houden niet van haar en zij houdt ook niet van hen. Ze houdt niet van haar vader. Ze houdt ook niet van de man met wie ze trouwt.

            Nu klinkt het misschien alsof Xuela een verschrikkelijk koel persoon is, maar dat is niet het geval. De afstandelijkheid die in de roman zit, laat het niet verglijden in sentimentaliteit en maakt het aangrijpende en droevige verhaal leesbaar (hoe koel dat dan ook weer klinkt van mijn kant). Het is moeilijk onder woorden te brengen hoe The Autobiography of my Mother een afstandelijke houding en een aangrijpende, traumatische geschiedenis weet te vangen in één personage. Ik kom over een paar jaar, als ik het boek nog een paar keer heb gelezen of als ik dan toch nog een college over heb gevolgd, nog wel bij jullie terug voor deel II van deze Vooys Leest. Maar je kan het natuurlijk ook zelf lezen!’