‘De tekst is een weefsel van citaten, afkomstig uit de duizend en een brandpunten van de cultuur,’ schreef Roland Barthes in zijn beroemde essay De dood van de auteur (1967). De tekst is volgens hem geen afgebakend object, maar een weefsel van stemmen, verwijzingen en betekenissen dat zich blijft uitbreiden. Niet de auteur, maar de tekst zelf wordt zo de plaats waar betekenis ontstaat: een open netwerk dat zich niet laat begrenzen. Meer dan vijftig jaar later verbindt de tekst meer culturele stemmen dan ooit tevoren. Literatuur beweegt zich moeiteloos tussen beeld en woord, tussen papieren pagina’s en digitale schermen, tussen toneel, strip, poëzie en muziek. Barthes’ tekstuele web blijft zich verdikken en vertakken, en daarmee verdikt en vertakt ook wat een tekst, met of zonder aanhalingstekens, kan betekenen. Deze vraag is vandaag de dag uitermate relevant. De literaire canon staat inhoudelijk al jaren ter discussie: wat betekent de canon, welke werken willen we bewaren en met welke interpretatie geven we ze door? In dit nummer trekken we deze discussie door naar vorm. Niet om de grenzen van de literatuur opnieuw af te bakenen, maar juist om te onderzoeken hoe verschillende vormen nieuwe mogelijkheden tot lezen, interpreteren en betekenis geven openen. Want als teksten zich, in Barthes’ woorden, blijven verrijken, dan geldt dat evenzeer voor de manieren waarop zij zich aan ons voordoen. Elke vorm – of dat nu een strip, een prentenboek, een toneelstuk of een meertalige dichtbundel is – voegt nieuwe draden toe aan het tekstuele tapijt en nodigt uit tot nieuwe verbindingen.

Te lezen in Vooys 44.4: Vorm

Literatuurwetenschapper Helena Van Praet laat zien dat de bundel Het is warm in de hivemind (2021) van Maxime Garcia Diaz, door de veelheid aan stemmen die erin voorkomt, het monologische beeld van de poëzie in twijfel trekt en ze breekt een lans voor de studie naar meerstemmigheid in gedichten.

Onderzoekster Eva Van de Wiele, gespecialiseerd in kinderliteratuur en beeldverhalen, onderzoekt in haar artikel aan de hand van het begrip het ‘hybride boek’ de vorm en de inhoud van Het Oinkbeest (2025) van Inge Bogaerts.

Neerlandica Julia Scheltus doet onderzoek naar ‘women’s rewriting’ – het opnieuw vertellen van een verhaal vanuit een nieuw, vrouwelijk perspectief – in het blijspel De Spaensche Heydin (1644) van Catharina Verwers.

Tot slot bespreekt stripwetenschapper Barbara Postema aan de hand van een analyse van Aimée de Jonghs graphic novel Lord of the Flies dat de multimodale elementen die inherent zijn aan de stripvorm een extra literaire laag aan een bestaand werk kunnen toevoegen.

Daarnaast bevat dit nummer ook enkele vaste rubrieken.

In het interview spraken redacteuren Leonie Broekhuizen en Douwe Ridder met Esther Scholten, directeur van stichting De Best Verzorgde Boeken, die ieder jaar een verkiezing voor – de naam zegt het al – het best verzorgde boek organiseert. Ze spreken onder andere over de staat van de boekvormgeving in Nederland en over boeken die de grenzen van het medium ‘boek’ te buiten gaan.

In de rubriek ‘In de Kast’ verkent neerlandicus en lied- onderzoeker Vincent Roozendaal de culturele betekenis van volksliedjes en laat hij zien hoe de recent overleden zanger René Karst, ook wel bekend van de hit Liever te dik in de kist, heeft bijgedragen aan de conservatie van deze liederen.

Verder bevat deze Vooys drie recensies: historicus Jonas Roelens bespreekt het in 2026 gepubliceerde Hoe dacht de middeleeuwer over de ideale date? Voorhuwelijkse liefde en seks volgens het Antwerps liedboek (1544) van Cécile de Morrée.

Historica Alexandra Nagel buigt zich over Lotte Bergens Het verweer van Etty Hillesum tegen het nazisme (2025).

Historicus Peter Buijs recenseert De storm die wij vooruitgang noemen (2025) van Arianne Baggerman.

De ‘Stijlbreuk’, tot slot, is een visueel gedicht van de handen van redacteuren Jet Sterkman en Lily Bakker, waarbij ze iedere gebruikelijke poëzievorm overstijgen.

Illustratie: Lise Goossens