Door Estel van den Berg
Sinds het begin van de zestiende eeuw stonden rederijkerskamers bekend als hoeders van de burgermoraal: winst, rationaliteit en nut golden als hoogste waarden. Tegelijkertijd hadden leden van diezelfde kamers een reputatie als ‘kannenkijkers’ en schreven zij toneelstukken die op spottende wijze de menselijke zwakheden – zoals gulzigheid – verbeeldden. De Antwerpse rederijker Willem Ogier schreef in de loop van de zeventiende eeuw een serie kluchten over de zeven hoofdzonden, te beginnen met De gulsigheydt (1639). In dit artikel onderzoekt Estel van den Berg, historica gespecialiseerd in vroegmoderne cultuurgeschiedenis van de Lage Landen, de spanning tussen het beschavingsideaal van Willem Ogier en zijn vermogen tot zelfspot. Hierbij staat de vraag centraal: bespotten de rederijkers in De gulsigheydt vooral anderen – of ook zichzelf? Daarbij richt Van den Berg zich op de rol van identiteit, sociale status en gender in deze zeventiende-eeuwse klucht.