Nieuwe Buitelingen

In onze rubriek ‘Nieuwe Buitelingen’ nemen Vooys-redacteuren u mee naar een bijzonder literair initiatief in Nederland. Afgelopen donderdag was Vooysredacteur Carmen Verhoeven aanwezig bij een lezing van schrijver, columnist en televisiemaker Özcan Akyol. Ze brengt ons verslag uit:

‘“Een ellendige jeugd is een goudmijn voor een schrijver,” begon Akyol zijn verhaal. En dat bleek. Akyol vertelde vooreerst over zijn bewogen jeugd, de (alcohol)problemen van zijn vader, de afwezigheid van zijn moeder, de positie van zijn familie in de Turkse gemeenschap (buitenstaander) en de positie van zijn familie in de Nederlandse gemeenschap (buitenstaander). Maar ook over hoe hij een voorsprong had op zijn buurtgenoten als het op Nederlands aankwam, omdat hij de taal gedeeltelijk leerde via muziek van Rob de Nijs, Boudewijn de Groot en Frank Boeijen op de radio en programma’s op de Nederlandse televisiezenders. Bij zijn ouders was er, anders dan bij alle Turkse families in de buurt, immers geen schotelantenne: “Mijn vader was nogal een bon vivant en hij beredeneerde: ‘Zo’n schotelantenne kost 120 euro, daar kan ik ook tien flessen Vieux van kopen…’” Akyols verhaal was er ook een over intersectionaliteit: zijn achterstelling op bepaalde gebieden – bijvoorbeeld het feit dat hij ondanks vwo-advies niet naar het atheneum kon en mocht – hing niet alleen samen met zijn Turkse achtergrond, maar ook, of eigenlijk vooral, met het sociaaleconomische milieu waaruit hij afkomstig was.
Door ‘verkeerde’ vrienden en connecties kwam hij herhaaldelijk in aanraking met de politie en zat hij uiteindelijk zelfs een poosje vast. Dat leek een dieptepunt, maar achteraf bleek tijdens die periode het sleutelmoment in zijn leven te zijn voorgevallen. Toen hij zichzelf gek begon te denken in de cel, was daar een reddende cipier die hem naar de Bajesbibliotheek bracht, waar hij vijf boeken (waaronder de Dikke Van Dale) mocht lenen om zich te vermaken. Voor die tijd had hij lezen altijd verschrikkelijk gevonden, maar in deze periode ondervond hij wat literatuur kan betekenen en hoe ze kan functioneren.

Bij het eerste boek dat hij las – Baantjer – ontdekte hij dat literatuur ‘een film kan aanzetten’ bij de ontvanger. Dat de ontvanger zich tijdelijk kan distantiëren van de wereld waarin hij leeft en meegezogen kan worden in een andere omgeving, en hoe bevrijdend dat kan werken. Via Jan Siebelink kwam hij dan weer meer in aanraking met de didactische en culturele rol die literatuur kan spelen en leerde hij de gereformeerde cultuur binnen de Nederlandse samenleving kennen. Via Ik, Jan Cremer leerde hij zichzelf beter kennen en kon hij zich bovenal voor het eerst identificeren met iemand van een andere culturele achtergrond. Hij kwam erachter dat afkomst en uiterlijk niet de enige identiteitsbepalende factoren zijn, maar dat je je ook ontzettend kunt herkennen in iemand die op andere gebieden veel raakvlakken met jou vertoont. Bovendien legde hij van alle woorden die hij niet kende een woordenlijst aan en zocht hij de betekenissen op, waardoor hij zich de Nederlandse taal steeds meer eigen maakte. Naargelang zijn woordenschat gestaag groeide, lukte het hem helderder te denken en zijn gedachten beter te duiden. Literatuur was ook hetgeen hem deed inzien dat hij zichzelf moest zijn en zijn ambities niet moest onderdrukken of wegstoppen, maar juist moest volgen. En hij ontdekte een leemte in de Nederlandse literatuur: geen enkel boek ging over de worsteling van een in Nederland opgroeiende migrant. Het werd vanaf toen zijn doel dat gemis met een boek op te vullen. Hij studeerde journalistiek en daarna een paar jaar Nederlands, raakte steeds meer vervreemd van zijn achtergrond (“maar dat vond ik wel lekker”) en werd uiteindelijk gecontacteerd door een literair agent. Zo kwam de bal aan het rollen en bracht hij onder meer de autobiografische romans Eus (2012) en Turis (2016) uit, werd hij uitgenodigd bij DWDD, schreef hij columns voor NRC, de Volkskrant en nu voor het AD (en bijbehorende dagbladen) en kreeg hij de kans televisie te maken. Een avond met een bijzonder verhaal over opgroeien tussen twee culturen, een zoektocht naar identiteit, een vreemd, bochtig en toevallig pad richting het schrijverschap en bovenal de betekenis en kracht van literatuur.’